Het is inmiddels een vaste reflex van opeenvolgende kabinetten: het vertrouwen van burgers in de overheid moet worden hersteld. Maar vertrouwen ontstaat niet door intenties uit te spreken. Het ontstaat wanneer de overheid laat zien dat zij zichzelf kan corrigeren — juist daar waar macht geconcentreerd is en burgers geen uitwijkmogelijkheid hebben.
Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) is zo’n plek. Wie in Nederland een rijbewijs wil halen, móét door deze poort. Er is geen marktwerking, geen alternatief, geen overstapknop. Dat maakt de verhouding tussen burger en CBR per definitie ongelijk. En precies daarom zou de lat voor transparantie, rechtmatigheid en controle hoger moeten liggen dan elders.
Toch lijkt het omgekeerde vaak het geval. Ondanks verscherpt toezicht in 2018 en kritiek die ook in de Tweede Kamer is besproken, blijft het beeld bestaan van een organisatie die haar machtspositie in de rijopleidingswereld vooral bewaakt en versterkt. Niet zelden ten koste van degene die afhankelijk is van het systeem: de burger.
Het meest schrijnende aspect is dat de gevolgen onevenredig bij jongeren terechtkomen. De leeftijdsgroep van 16 tot 21 jaar heeft vaak voor het eerst te maken met een groot overheidsorgaan dat beslissend is voor hun bewegingsvrijheid, hun kansen op werk en hun zelfstandigheid. Wie daar vastloopt, betaalt niet alleen met geld, maar ook met tijd, stress en uitstel van toekomstplannen. Als in zo’n context sprake is van structurele misleiding of financiële benadeling die onvoldoende wordt blootgelegd of gecorrigeerd, is dat niet alleen een uitvoeringsprobleem. Dan is het een rechtsstatelijk probleem.
En juist dát maakt deze kwestie zo ongemakkelijk voor de politiek. Want hoe kan de overheid overtuigend spreken over herstel van vertrouwen, wanneer tegelijkertijd signalen blijven bestaan dat een publieke organisatie onrechtmatig handelt — terwijl het verantwoordelijke ministerie, de ambtelijke top, Justitie en zelfs Kamerleden daarvan kennis dragen?
De kern is niet dat een uitvoeringsorganisatie fouten maakt. Dat gebeurt. De kern is dat er te weinig consequenties volgen wanneer die fouten structureel worden, wanneer waarschuwingen blijven liggen, en wanneer externe adviezen — zelfs van de landsadvocaat — terzijde kunnen worden geschoven zonder zichtbaar gevolg. Dan gaat het niet meer om incidenten, maar om een bestuurscultuur waarin verantwoordelijkheid kan verdampen.
Wie dit afdoet als een complex dossier, miskent het grotere effect: rechtsgelijkheid staat of valt met de vraag of de overheid haar eigen instituties net zo streng controleert als haar burgers. Het is moeilijk uit te leggen dat individuen wél snel en hard worden aangepakt, terwijl een publieke organisatie met een monopoliepositie jarenlang in een grijs gebied kan blijven opereren.
Het herstel van vertrouwen vraagt daarom niet om nieuwe beloftes, maar om bestuurlijke ruggengraat. Dat betekent minstens drie dingen.
Ten eerste: onafhankelijk onderzoek met echte doorzettingsmacht, niet een interne evaluatie met een vriendelijke samenvatting. Ten tweede: transparantie over de vraag wat er precies is misgegaan, wie daarvan op de hoogte was, en waarom er niet eerder is ingegrepen. En ten derde: herstel voor benadeelden — ook financieel — wanneer burgers onrecht is aangedaan.
Het kabinet kan pas geloofwaardig over vertrouwen spreken wanneer het laat zien dat “niemand boven de wet” óók geldt voor instituties die in overheidsnaam handelen. Zolang het CBR buiten schot blijft, is vertrouwen herstellen vooral een mooi zinnetje in een regeerakkoord. Maar burgers prikken daar inmiddels dwars doorheen. Zeker jongeren. En juist zij moeten nog tientallen jaren met diezelfde overheid verder.
