Op 15 februari 2026 bericht het Algemeen Dagblad over een tragedie die diep snijdt in het collectieve geweten van onze samenleving: de Eindhovense Marcelle (24) kreeg, kort voordat zij een einde aan haar leven maakte, opnieuw géén adequate hulp van de geestelijke gezondheidszorg (GGzE), ondanks haar wanhoop en smeekbeden om hulp.
De dood van Marcelle is geen noodlottige samenloop van omstandigheden. Het is het voorspelbare gevolg van een geestelijke gezondheidszorg die mensen in acute nood structureel in de steek laat.
Een jonge vrouw smeekt om hulp. Ze wordt weggestuurd. En enkele uren later is ze dood.
Wie dit leest en denkt: wat verschrikkelijk, maar daarna weer overgaat tot de orde van de dag, mist de kern. Dit is geen geïsoleerd drama. Dit is onrecht — in de meest letterlijke betekenis van het woord.
Stop met het normaliseren van falen
Elke keer dat zo’n verhaal verschijnt, volgen dezelfde reflexen: “Het is complex.” “Er is personeelstekort.” “Er zijn nu eenmaal protocollen.” En ja — die factoren spelen allemaal mee. Maar ze mogen nooit fungeren als moreel schild.
Wanneer iemand in diepe psychische crisis om hulp vraagt en wordt afgewezen, is dat geen neutrale administratieve beslissing. Dat is een ethische keuze.
We hebben een zorgsysteem gebouwd waarin toegang tot hulp afhankelijk is van criteria, formulieren en inschattingen achter een bureau. Niet van urgentie. Niet van menselijkheid. Niet van de simpele realiteit dat iemand zegt: ik kan niet meer.
Dat is geen zorg. Dat is selectie.
Autonomie als excuus
Binnen de GGZ wordt vaak gesproken over “eigen regie” en “autonomie van de cliënt”. In theorie nobele uitgangspunten. In de praktijk betekenen ze soms dat mensen die suïcidaal zijn, te verward, te bang of te uitgeput om hun hulpvraag perfect te formuleren, buiten de boot vallen.
Alsof wanhoop netjes georganiseerd kan worden.
Autonomie wordt zo een bureaucratisch excuus om verantwoordelijkheid af te schuiven. Maar iemand die op instorten staat, heeft geen autonomie nodig — die heeft bescherming nodig.
Onrecht zit niet in emotie, maar in structuur
Sommigen vinden het woord onrecht te zwaar. Te emotioneel. Te activistisch.
Maar onrecht betekent niet alleen dat iemand kwaad wordt aangedaan met opzet. Onrecht ontstaat ook wanneer systemen zo zijn ingericht dat kwetsbare mensen erdoor worden vermalen.
Als beleid ertoe leidt dat mensen in crisis worden weggestuurd, dan is dat structureel onrecht — zelfs als niemand persoonlijk slechte bedoelingen had.
Marcelle stierf niet alleen. Ze stierf in een systeem dat haar niet kon of wilde opvangen.
Hoeveel doden hebben we nodig?
De pijnlijkste vraag is deze: hoeveel vergelijkbare gevallen zijn nodig voordat we erkennen dat dit geen incidenten zijn, maar signalen?
Hoe vaak moeten ouders zeggen dat het “geen verrassing” was, voordat we durven toegeven dat het systeem voorspelbaar faalt?
We investeren miljarden in zorg, maar laten mensen in acute psychische nood wachten, zwerven of terug naar huis gaan met hun wanhoop. Dat is geen capaciteitsprobleem alleen — dat is een prioriteitenprobleem.
Dit raakt ons allemaal
Dit gaat niet alleen over Marcelle. Dit gaat over hoe wij als samenleving omgaan met mensen die niet meer meekomen.
Over wat er gebeurt wanneer efficiëntie belangrijker wordt dan nabijheid. Wanneer protocollen zwaarder wegen dan menselijk contact. Wanneer “geen plek” belangrijker wordt dan “iemand redden”.
Onrecht is hier geen abstract begrip. Het heeft een gezicht. Een naam. Ouders die hun kind begraven.
En zolang we dit blijven behandelen als een tragisch verhaal in plaats van als een politiek en moreel falen, verandert er niets.
Tot slot
Marcelle had hulp nodig. Ze kreeg die niet. Dat is de harde waarheid.
Wie dit geen onrecht noemt, heeft het woord leeg gemaakt.
En wie nu niet durft te eisen dat de GGZ fundamenteel anders wordt ingericht — met crisisopvang als absolute prioriteit — accepteert stilzwijgend dat dit opnieuw gebeurt.
Dat is misschien wel het grootste onrecht van allemaal.
