Door de nasleep van de coronacrisis heen groeit de roep om politieke verantwoording. Steeds meer signalen wijzen erop dat structurele problemen bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) niet alleen hebben geleid tot lange wachttijden, maar ook tot aanzienlijke maatschappelijke en financiële schade. In Den Haag klinkt daarom de vraag: moet de Tweede Kamer een onafhankelijk onderzoek starten?
Structurele overschrijding van wachttijden
Al vóór de pandemie gold bij het CBR de prestatie-indicator (KPI) dat kandidaten binnen zeven weken een eerste praktijkexamen moeten kunnen afleggen. In de jaren rond en na corona werd die norm echter structureel overschreden. Interne rapportages en klachten van rijscholen wijzen op wachttijden die soms opliepen tot wel zes maanden. Opvallend is dat in 2023 en 2024 de Tweede Kamer door de minister, op basis van informatie vanuit het CBR, schriftelijk werd voorgehouden dat eind 2023 en 2024 de kpi van 7 weken behaald zou worden. Onderzoekers tonen dat die informatie vals was; eind 2023 en 2024 schommelde de wachttijd landelijk nog steeds tussen de 16 en 23 weken, zo bleek uit data uit het reserveringsplatform can het CBR.
De maatschappelijke gevolgen zijn groot. Jongeren tussen de 16 en 21 jaar zagen hun rijopleiding vertragen, moesten extra lessen afnemen en liepen studievertraging of gemiste baankansen op. Volgens berekeningen uit de sector heeft dit geleid tot een gezamenlijke financiële schade van ruim een kwart miljard euro.
Leiderschap en organisatiecultuur
De problemen speelden zich af onder leiding van huidig directeur Jan Jurgen Huizing en diens toenmalige collega-directeur Alexander Pechtold. Medewerkers en examinatoren spreken in meldingen aan vakorganisaties over een angstcultuur, waarin kritiek op beleid of planning zou zijn ontmoedigd. Dit zou het tijdig bijsturen van capaciteitsproblemen hebben bemoeilijkt.
Hoewel het CBR zelf stelt dat externe omstandigheden – zoals lockdowns en personeelstekorten – de hoofdoorzaak waren, groeit de kritiek dat intern management en communicatie tekortschoten.
Onjuiste informatie aan de Kamer
Extra gevoelig is dus dat de Tweede Kamer in zowel 2023 als 2024 aantoonbaar onjuist is geïnformeerd over de werkelijke wachttijden per jaarultimo. Kamerstukken spraken over afnemende achterstanden, terwijl latere cijfers en Wob-verzoeken lieten zien dat de gemiddelde wachttijd structureel hoger lag dan gemeld. Dit roept vragen op over de betrouwbaarheid van de informatievoorziening aan volksvertegenwoordigers
[tekst gaat door onder afbeelding]

Niet nagekomen belofte extra examinatoren
Een belangrijk speerpunt van het herstelplan was de belofte om 100 extra examinatoren aan te nemen. Die toezegging is volgens interne documenten nooit volledig waargemaakt. Bovendien blijkt uit een brief van Marc Konings, secretaris-generaal van het Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat, aan klagende beginnende examinatoren dat het CBR na het eerste jaar ruim eenderde van de nieuw aangestelde examinatoren ongeschikt achtte. Dat gegeven werpt vragen op over werving, opleiding en begeleiding binnen de organisatie.
Maatschappelijke schade en politieke verantwoordelijkheid
De optelsom van lange wachttijden, financiële schade voor jongeren, interne spanningen en onjuiste informatie aan het parlement voedt de roep om een diepgaand onderzoek. Niet om individuen bij voorbaat te veroordelen, maar om vast te stellen waar het systeem faalde en hoe herhaling kan worden voorkomen.
Een parlementair onderzoek of hoorzitting zou duidelijk moeten maken hoe beleid, toezicht en uitvoering tijdens en na de coronaperiode hebben gefunctioneerd. Voor duizenden jongeren die de gevolgen nog dagelijks voelen, staat er meer op het spel dan bestuurlijke reputaties: het gaat om vertrouwen in publieke instituties en om de vraag of de overheid leert van haar eigen crisisaanpak.
