Aangiftes tegen CBR-medewerkers wegens mogelijke ambtsmisdrijven moeten leiden tot taak- en celstraffen

In 2024 en 2025 zijn meerdere strafrechtelijke aangiftes gedaan tegen circa tien examinatoren en managers van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). De aangiftes hebben betrekking op ernstige ambtsmisdrijven, waaronder het stelselmatig onwettig afbreken van praktijkexamens en het opstellen van valse meldingen en verklaringen.

Volgens de indieners gaat het om structurele praktijken op verschillende examenlocaties. Kandidaten zouden zonder geldige reden zijn gezakt, waarna in interne systemen meldingen werden vastgelegd die feitelijk onjuist of niet verifieerbaar waren. Deze registraties zouden vervolgens zijn gebruikt om klachten van kandidaten en rijscholen af te wijzen.

Een opvallende rol is weggelegd voor het voormalige CBR-examencentrum in Enschede. In de aangiftes wordt gesteld dat medewerkers daar verantwoordelijk zouden zijn voor meer dan vijftig valse meldingen. Daarnaast zouden enkele medewerkers betrokken zijn geweest bij het doen van valse aangiftes tegen criticasters, waaronder rijschoolhouders en kandidaten die publiekelijk vragen stelden over het examenbeleid.

De aangiftes zijn vooralsnog niet in behandeling genomen door de Politie Oost-Nederland. Dat voedt de onrust bij betrokkenen, die vrezen dat mogelijke misstanden onvoldoende worden onderzocht. Juristen wijzen erop dat, indien de beschuldigingen juist blijken, sprake kan zijn van strafbare feiten zoals valsheid in geschrifte en misbruik van gezag.

Het CBR heeft eerder laten weten zich niet te herkennen in het geschetste beeld en benadrukt dat examens volgens vaste protocollen worden afgenomen. De komende periode zal duidelijk moeten worden of justitie aanleiding ziet tot nader onderzoek.