Het vertrouwen van burgers in politie en justitie kalft af. Niet door incidenten alleen, maar door wat die incidenten blootleggen: een bestuurscultuur waarin macht zich afsluit, fouten intern worden gehouden en morele vragen structureel worden vermeden. De samenstelling van de landelijke korpsleiding is daar een pijnlijk voorbeeld van. Dat juist Simone Roos en Janny Knol daarin een centrale rol spelen, is geen detail, maar een symptoom.
Van parlementaire crisis naar politietop
Simone Roos raakte als griffier van de Tweede Kamer nauw betrokken bij de affaire rond Khadija Arib. Die kwestie ging niet alleen over persoonlijke verhoudingen, maar over macht, informatie en verantwoordelijkheid binnen het hart van de democratie. Dossiers bleken onvolledig, besluitvorming ondoorzichtig en het vertrouwen tussen bestuur en ambtelijke top raakte beschadigd.
Dat het Kamerbestuur later expliciet sprak over geschonden vertrouwen, zou in een gezonde bestuurscultuur een serieuze consequentie moeten hebben. Niet juridisch misschien, maar wel bestuurlijk en moreel. Toch kon Roos vrijwel geruisloos doorstromen naar de top van een andere kerninstitutie van de rechtsstaat: de politie.
Wie dat verdedigt met het argument dat “er geen rechterlijk oordeel ligt”, mist het punt. Vertrouwen in instituties wordt niet opgebouwd met juridische minimumvereisten, maar met moreel leiderschap en voorbeeldgedrag.
Integriteit als slogan
Korpschef Janny Knol presenteert zich als hoeder van integriteit binnen de politie. Tegelijkertijd wordt zij zelf geconfronteerd met ernstige beschuldigingen over een doofpot rond de mishandeling van een publicist in 2022. Ook hier geldt: beschuldigingen zijn geen bewezen feiten. Maar ook hier geldt iets anders: leiderschap gaat niet alleen over gelijk krijgen, maar over geloofwaardig zijn.
De optelsom is funest. Een korpschef die wordt verweten kritische zaken intern te hebben gehouden, en een lid van de korpsleiding dat eerder centraal stond in een bestuurscrisis rond transparantie en informatiebeheer. Formeel kan alles kloppen. Moreel schuurt het aan alle kanten.
Hoe kan dit blijven bestaan?
Dat dit mogelijk is, zegt minder over twee individuen dan over het systeem. De landelijke korpsleiding opereert in een gesloten bestuurlijke cirkel, met beperkte externe toetsing. Benoemingen zijn intern-bestuurlijk geregeld, politieke controle is indirect en maatschappelijke verantwoording minimaal. Wie eenmaal “binnen” is, blijft dat meestal ook.
In een tijd waarin burgers steeds kritischer kijken naar machtsuitoefening, werkt die geslotenheid averechts. Elke schijn van zelfbescherming, elke indruk van “ons kent ons”, versterkt het gevoel dat politie en justitie andere regels hanteren voor zichzelf dan voor de samenleving.
Vertrouwen vraagt offers
Het echte probleem is niet of Roos en Knol formeel rechtmatig handelen. Het probleem is dat hun aanwezigheid aan de top symbool staat voor een bestuurscultuur die weigert te erkennen dat vertrouwen kwetsbaar is — en dat herstel soms offers vraagt.
Zolang instituties blijven redeneren vanuit juridische dekking in plaats van publieke geloofwaardigheid, zal het vertrouwen verder afbrokkelen. En zolang de politie niet begrijpt dat integriteit ook betekent: ruimte maken voor twijfel, kritiek en consequenties, blijft de kloof met de burger groeien.
Vertrouwen is geen vanzelfsprekendheid. Het moet elke dag opnieuw worden verdiend. Juist aan de top.
