Wie durft het Openbaar Ministerie écht te bevragen?

De opmerking in maart 2021 van de Enschedese advocaat Jérôme de Jongh van Lier dat het Openbaar Ministerie “door en door verrot” zou zijn, leidde tot voorspelbare verontwaardiging. Zowel de Rechtspraak als de Orde van Advocaten veroordeelden zijn woorden krachtig. De boodschap was helder: dit gaat te ver, dit schaadt het vertrouwen in de rechtsstaat.

En daar hebben zij formeel gelijk in. Wie het hele Openbaar Ministerie over één kam scheert, doet onrecht aan de vele integere officieren van justitie die dagelijks hun werk naar eer en geweten doen. De rechtsstaat is geen karikatuur, en nuance is geen luxe maar een vereiste.

Maar wie zich alleen vastbijt in de toon van De Jongh van Lier, mist de kern van het probleem.

Het ongemakkelijke deel van de waarheid

Want achter de overtrokken formulering schuilt een ongemakkelijke realiteit: een deel van het Openbaar Ministerie functioneert structureel onder de maat, zowel juridisch als ethisch. Niet incidenteel, niet per ongeluk, maar volgens patronen die al jaren zichtbaar zijn.

Dat is geen aanval op “het OM” als instituut, maar een constatering over menselijk falen binnen dat instituut. Net zoals er onder advocaten rotte appels zijn — iets wat de Orde van Advocaten zelf ook erkent — geldt dat ook voor officieren van justitie. Het verschil is alleen dat de macht van die laatsten vele malen groter is, en de controle erop beduidend zwakker.

Schendingen die geen incidenten meer zijn

Keer op keer blijkt in strafzaken hoe rechten van verdachten worden geschonden:

  • ontlastend bewijs dat te laat, onvolledig of helemaal niet wordt toegevoegd aan het dossier;
  • strafdossiers die “strategisch” worden opgebouwd in plaats van objectief;
  • tunnelvisie die niet wordt gecorrigeerd, zelfs wanneer alternatieve scenario’s zich aandienen;
  • een reflexmatige verdediging van eerdere keuzes, zelfs als die aantoonbaar fout zijn.

Wie dit afdoet als incidenten, sluit bewust de ogen. Wie het bespreekbaar maakt, wordt al snel weggezet als “ondermijnend” of “respectloos richting de rechtsstaat”.

Kritiek is geen ondermijning

Dat is misschien wel het grootste probleem: kritiek op het Openbaar Ministerie wordt te vaak gezien als kritiek op de rechtsstaat zelf. Terwijl het tegendeel waar is. Een rechtsstaat die zichzelf niet durft te corrigeren, verliest juist haar legitimiteit.

De verontwaardiging over De Jongh van Liers woorden had geloofwaardiger geklonken als die gepaard was gegaan met zelfreflectie. Met de vraag: waarom voelt een ervaren advocaat zich genoodzaakt zulke extreme taal te gebruiken? Niet om die taal goed te praten, maar om de voedingsbodem ervan serieus te nemen.

Geen vrijbrief, wel een spiegel

De uitspraak van De Jongh van Lier ging te ver. Dat moet ook gezegd worden. Het OM is niet “door en door verrot”. Maar het is evenmin het onkreukbare bastion dat sommige instituties ervan maken.

Zolang officieren van justitie die ethisch tekortschieten zelden consequenties ondervinden, zolang tunnelvisie structureel wordt beloond met veroordelingen, en zolang de verdediging vaker als lastpost dan als noodzakelijke tegenmacht wordt gezien, blijft de kritiek terugkomen — steeds feller, steeds rauwer.

Niet omdat advocaten dat zo graag willen, maar omdat de rechtsstaat alleen overeind blijft als macht voortdurend wordt bevraagd. Ook — en misschien wel juist — wanneer die macht in handen is van het Openbaar Ministerie.

De echte vraag is dus niet of De Jongh van Lier zijn woorden had moeten inslikken.
De echte vraag is: wanneer durven we eindelijk eerlijk te kijken naar wat er structureel misgaat?