Het lijkt er nauwelijks toe te doen wie er aan het roer staat van de politie. Of het nu gaat om de huidige korpschef Janny Knol of om Gert Veurink in Oost-Nederland: aangiftes wegens ambtsmisdrijven lijken structureel weinig prioriteit te krijgen. Dat is geen incident, maar een patroon. En precies dát patroon voedt de gezagscrisis waar dezelfde politietop zich zo verbaasd over toont.
Al jarenlang ervaren veel burgers dat de wet niet voor iedereen gelijk geldt. Niet omdat ze de regels niet kennen of respecteren, maar omdat ze keer op keer merken dat aangifte doen vaak geen enkel gevolg heeft. Je kunt blijven roepen dat het respect voor de politie “terug moet” naar vroegere tijden, maar respect is geen nostalgisch sentiment. Het is het resultaat van consequent en rechtvaardig handelen in het heden.
De politietop wijst graag naar de politiek als het gaat om capaciteitsproblemen en keuzes in prioritering. Maar daarmee wordt een fundamenteel probleem verhuld: rechtsongelijkheid. De zelfbedachte prioriteitenlijst – waarin eenvoudige, zichtbare overtredingen wel worden aangepakt en complexe, gevoelige zaken niet – werkt als een sluipend gif. Het tast het vertrouwen aan van burgers die zich wél aan de regels proberen te houden en verwachten dat de overheid datzelfde doet.
Zoals de Nationale Ombudsman deze week treffend stelde: “de burger wordt afgerekend, de overheid niet.” Wie te hard rijdt, iets steelt in de supermarkt of in het openbaar plast, kan rekenen op snelle handhaving. Maar zodra het gaat om aangiftes van ambtsmisdrijven of andere ernstige strafbare feiten waarbij de overheid zelf betrokken is, lijkt er ineens een ambtelijke zeef te worden gebruikt. Zaken verdwijnen erin, onderzoeken komen niet van de grond.
Het structureel nalaten van onderzoek naar ambtsmisdrijven is niet alleen een gemiste kans, maar een bewuste keuze. Mogelijk omdat men weet – of vreest – dat het Openbaar Ministerie weinig animo toont om overheidsinstanties of ambtenaren strafrechtelijk te vervolgen. Maar juist die terughoudendheid maakt het probleem groter. Want als controle en vervolging binnen de overheid ontbreken, wie bewaakt dan nog de grenzen van macht?
De huidige gezagscrisis laat zien dat het vertrouwen in overheid en instituties onder druk staat. Burgers ervaren afstand, inconsistent beleid en een gebrek aan transparantie, waardoor gezag minder vanzelfsprekend wordt geaccepteerd. Sociale media versterken dit door snelle polarisatie en wantrouwen. Herstel van gezag vraagt niet om meer macht, maar om betrouwbaarheid, duidelijke communicatie en zichtbaar rechtvaardig handelen. Alleen zo kan vertrouwen stap voor stap worden teruggewonnen.
Echte gezagsherstel begint niet bij strengere handhaving van kleine overtredingen, maar bij het lef om ook naar binnen te kijken. Zolang burgers het gevoel hebben dat er twee maten worden gehanteerd – één voor hen en één voor de overheid – zal elk appel op respect voor de politie hol klinken. De rechtsstaat leeft niet van woorden of prioriteitenlijstjes, maar van gelijke behandeling. Pas wanneer dat principe weer zichtbaar wordt nageleefd, kan vertrouwen langzaam terugkeren.
In twee jaar tijd keer op keer – welgeteld 78 keer – met een of meerdere surveillance voertuigen afkomen op aantoonbare valse melding van een handjevol Twentse examinatoren, maar vervolgens tekort schieten als slachtoffers van bruut geweld zich melden is niet te verklaren en is iets wat de politietop zichzelf moet aanrekenen. Zeker als ze, zoals uit het dossier CBR duidelijk wordt, zelf op de hoogte zijn.
