Zal het Openbaar Ministerie de CBR directie ook vervolgen na ontstane publieke verontwaardiging?

Over de Stint-zaak, selectieve strafrechtelijke aandacht en een ongemakkelijke parallel met het CBR

De strafrechtelijke vervolging van de makers van de Stint geldt als een van de meest beladen dossiers van de afgelopen jaren. Na het fatale ongeval in Oss, waarbij vier kinderen om het leven kwamen, volgde een lawine aan mediaberichtgeving, maatschappelijke verontwaardiging en politieke druk. Het Openbaar Ministerie besloot uiteindelijk tot vervolging van de fabrikant. Maar die beslissing roept, ook na de afloop van de rechtszaak, een ongemakkelijke vraag op: zou het OM dezelfde stap hebben gezet als de publieke verontwaardiging was uitgebleven?

Die vraag wordt pregnanter wanneer de zaak wordt gespiegeld aan een ander dossier waarin veiligheid, toezicht en verantwoordelijkheid al jaren onderwerp van interne waarschuwingen zijn, maar strafrechtelijk ingrijpen uitblijft: het handelen van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) bij rijexamens.

De Stint: van technisch debat naar strafzaak

In de Stint-zaak was vanaf het begin discussie over de technische staat van het voertuig, de toelating tot de openbare weg en het toezicht door de overheid. Rapporten van de Onderzoeksraad voor Veiligheid lieten zien dat het voertuig onvoldoende was gereguleerd en dat verantwoordelijkheden versnipperd waren over meerdere instanties.

Toch koos het OM ervoor de strafrechtelijke pijlen primair te richten op de fabrikant. Critici wezen erop dat strafrecht hier werd ingezet op een terrein waar jarenlang bestuurlijk en beleidsmatig falen had plaatsgevonden. De vervolging leek daarmee niet alleen juridisch gemotiveerd, maar ook maatschappelijk ingegeven: er moest iemand ter verantwoording worden geroepen.

Bekende risico’s bij het CBR

Daartegenover staat een situatie die minder zichtbaar is voor het grote publiek, maar al decennialang bekend zou zijn bij toezichthouders. Het CBR maakt bij praktijkexamens gebruik van lesauto’s met dubbele bediening. In die voertuigen wordt door examinatoren structureel ingegrepen in de bediening, door het (tijdelijk) onklaar maken van het gaspedaal op de dubbele bediening.

Volgens betrokkenen en klokkenluiders zijn meerdere instanties – waaronder de Inspectie Leefomgeving en Transport, de Arbeidsinspectie en interne toezichthouders – al jarenlang op de hoogte van deze praktijk en de daaraan verbonden veiligheidsrisico’s. Toch is nooit sprake geweest van strafrechtelijk onderzoek, laat staan vervolging.

Twee maten?

Het contrast roept vragen op over consistentie in het optreden van het Openbaar Ministerie. In het ene dossier volgt vervolging na een tragedie die leidt tot nationale verontwaardiging. In het andere dossier blijven waarschuwingen, meldingen en signalen jarenlang zonder strafrechtelijk gevolg, zolang een grootschalige ramp uitblijft.

De vergelijking is ongemakkelijk, maar onvermijdelijk: grijpt het OM pas in wanneer slachtoffers niet meer te negeren zijn? En zo ja, hoeveel slachtoffers zijn daarvoor nodig?

De rol van media en publieke druk

Het strafrecht behoort in beginsel onafhankelijk te opereren, los van sentiment en media-aandacht. Toch erkennen ook juristen dat maatschappelijke context niet volledig buiten de deur te houden is. Grote publieke verontwaardiging kan prioriteiten beïnvloeden, net als politieke druk.

De Stint-zaak laat zien hoe media-aandacht kan fungeren als katalysator voor strafrechtelijk optreden. Het CBR-dossier toont het spiegelbeeld: een complex, technisch en bestuurlijk probleem dat zich grotendeels buiten het zicht van camera’s afspeelt, en daardoor geen vergelijkbare urgentie lijkt te krijgen.

Wachten op de ramp?

De kernvraag blijft onbeantwoord: zou het OM ook rond het CBR ingrijpen als er – hypothetisch – een ernstig ongeval plaatsvindt waarbij niet één, maar tientallen slachtoffers vallen? Bijvoorbeeld bij een treinongeval, veroorzaakt door een examenvoertuig waarvan de veiligheidsvoorzieningen bewust waren gemanipuleerd?

Het is een vraag die niemand beantwoord wil zien door een daadwerkelijke ramp. Maar zolang strafrechtelijk ingrijpen afhankelijk lijkt van zichtbare tragedie en publieke woede, blijft de indruk bestaan dat het recht niet altijd preventief, maar soms pas reactief functioneert.

Gelijke maatstaven

De discussie over de Stint en het CBR gaat uiteindelijk niet alleen over techniek of toezicht, maar over rechtsgelijkheid. Als fabrikanten strafrechtelijk worden vervolgd vanwege veiligheidsgebreken, terwijl overheidsinstanties bij vergelijkbare of langdurige risico’s buiten schot blijven, wringt dat met het rechtsgevoel.

Juist daarom is transparantie nodig: over wat het OM wist, wanneer het dat wist, en waarom in het ene geval wel en in het andere geval niet wordt ingegrepen. Niet pas na een ramp, maar voordat die zich voordoet.