Overheid laat inwoners Drenthe opnieuw bungelen bij mijnbouwschade

De discussie over mijnbouwschade lijkt zich hardnekkig te herhalen: erkenning komt laat, compensatie blijft achter en de overheid verschuilt zich achter zelfgemaakte regels. Dat patroon wordt opnieuw zichtbaar in Drenthe, waar inwoners van Ekehaar en Hooghalen schade hebben opgelopen door gaswinning uit het nabijgelegen gasveld Eleveld.

De Commissie Mijnbouwschade, nota bene de instantie die het huidige schadebeleid heeft opgesteld, concludeert nu zelf dat de regeling tekortschiet. In een eigen onderzoek pleit de commissie voor een ruimere schaderegeling, waarbij schade aan woningen en gebouwen volledig moet worden vergoed — ook wanneer die slechts deels het gevolg is van een recente aardbeving. Dat voorstel staat haaks op het bestaande beleid voor aardbevingsschade buiten Groningen.

Die beleidswijziging roept een ongemakkelijke vraag op: waarom moest eerst worden vastgesteld dat het systeem niet deugt, voordat de overheid bereid is om rechtvaardiger te handelen? Voor gedupeerde inwoners voelt dit als mosterd na de maaltijd. Zij worden al jaren geconfronteerd met scheuren in muren, waardedaling van hun huizen en een voortdurende onzekerheid over hun veiligheid — terwijl de staat gaswinning toestaat en ervan profiteert.

De overheid heeft zich lange tijd op het standpunt gesteld dat schade buiten Groningen “anders” is. Minder heftig, minder aantoonbaar, minder urgent. Maar dat onderscheid lijkt steeds moeilijker vol te houden. Aardbevingen houden zich niet aan provinciegrenzen, en schade laat zich niet vangen in beleidsmatige hokjes. Dat juist de Commissie Mijnbouwschade nu erkent dat het huidige kader onrechtvaardig uitpakt, legt pijnlijk bloot hoe politiek gestuurd het schadebeleid is geweest.

Wat vooral wringt, is dat burgers opnieuw afhankelijk zijn van voortschrijdend inzicht, terwijl de risico’s van gaswinning al jaren bekend zijn. De overheid koos consequent voor economische belangen boven het voorzorgsbeginsel. Pas wanneer onafhankelijke commissies of media aan de bel trekken, ontstaat er ruimte voor aanpassing. Dat ondermijnt het vertrouwen van burgers in de overheid als betrouwbare en beschermende partij.

Bovendien blijft het onduidelijk wie uiteindelijk verantwoordelijkheid neemt. De commissie adviseert, maar het is de overheid die beslist. Door zich te verschuilen achter uitvoerende instanties en complexe regelgeving, ontwijkt de politiek haar morele plicht: zorgen dat burgers niet de rekening betalen voor nationaal energiebeleid.

De situatie in Drenthe laat zien dat het mijnbouwdossier geen afgesloten hoofdstuk is, maar een structureel probleem. Zolang de overheid blijft repareren in plaats van erkennen, en aanpassen in plaats van herstellen, zullen gedupeerden zich tweederangs burgers blijven voelen. Rechtvaardigheid zou geen gunst moeten zijn — maar een vanzelfsprekend uitgangspunt.