Miljarden in de mist: hoe de afhandeling van de Kinderopvangtoeslagaffaire ontspoort

Terwijl duizenden gezinnen nog altijd wachten op echte erkenning en herstel, blijven de kosten van de afhandeling van de Kinderopvangtoeslagaffaire onverminderd oplopen. Wat begon als een noodzakelijk herstelproces voor ongekend onrecht, dreigt uit te monden in een tweede bestuurlijk falen: een miljardenverslindende bureaucratische operatie waarin vooral uitvoeringsorganisaties, adviesbureaus en ingehuurde bedrijven floreren.

Volgens recente ramingen zijn inmiddels vele miljarden euro’s uitgegeven aan de hersteloperatie. Opvallend is dat slechts een deel daarvan daadwerkelijk terechtkomt bij de ouders voor wie het allemaal bedoeld is. Een groeiend aandeel verdwijnt in complexe regelingen, controlemechanismen, juridische trajecten en een uitdijend apparaat van projectteams, consultants en IT-systemen. Het herstel lijkt verstrikt geraakt in precies dat systeem dat het onrecht ooit veroorzaakte: een overheid die wantrouwt, vercompliceert en vertraagt.

Voor de getroffen gezinnen is dit nauwelijks te bevatten. Jarenlang werden zij bestempeld als fraudeur, financieel geruïneerd en sociaal geïsoleerd. Nu zij eindelijk recht zouden moeten ervaren, zien zij hoe hun leed opnieuw wordt vertaald in dossiers, procedures en eindeloze wachttijden. De pijnlijke ironie is dat er geld in overvloed is — maar niet op de juiste plek terechtkomt.

Critici spreken inmiddels openlijk van perverse prikkels. Hoe ingewikkelder het proces, hoe meer werk er is voor uitvoerende instanties en externe partijen. Elk nieuw probleem vraagt om een nieuw project, elke vertraging om extra capaciteit. Zo wordt het leed van gedupeerden onbedoeld een verdienmodel, terwijl de menselijke maat opnieuw uit beeld raakt.

De parallellen met de afwikkeling van de schade door gaswinning in Groningen dringen zich op. Ook daar zagen bewoners hoe miljarden worden uitgetrokken, terwijl huizen jarenlang onveilig blijven en compensatie eindeloos op zich laat wachten. Ook daar groeide een woud van loketten, instanties en regelingen, waarin verantwoordelijkheid diffuus werd en tempo verdween. En ook daar ontstond het gevoel dat vooral het systeem zelf overeind werd gehouden — niet de mensen die schade leden.

In beide dossiers lijkt de kern hetzelfde: een overheid die erkent dat zij gefaald heeft, maar vervolgens opnieuw faalt door herstel te organiseren via logge structuren die vooral zichzelf in stand houden. Het gevolg is een groeiend wantrouwen bij burgers die zich voor de tweede keer in de steek gelaten voelen.

De vraag die steeds luider klinkt, is simpel maar ongemakkelijk: wie profiteert er werkelijk van deze hersteloperaties? Zolang het antwoord niet overtuigend richting de gedupeerden wijst, blijft elke extra miljard die wordt uitgegeven een pijnlijk symbool van bestuurlijke onmacht. Herstel vraagt niet alleen geld, maar vooral eenvoud, snelheid en morele urgentie. Zonder die ingrediënten dreigt ook deze affaire een litteken te worden dat generaties lang zichtbaar blijft.