Hoe werkt dat binnen het Openbaar Ministerie? Frits van Eerd vervolgen, maar bij instituten wegduiken?

Draagt de prioritering van het Openbaar Ministerie bij aan het vertrouwen van burgers in onze rechtsstaat?

Die vraag dringt zich op wanneer twee dossiers naast elkaar worden gelegd: de strafvervolging van Frits van Eerd, waarbij het ging om circa 400.000 euro aan ‘verdacht’ contant geld, en het uitblijven van strafrechtelijke vervolging van falende instanties en individuen binnen de Jeugdzorg. Zomaar een voorbeeld, er zijn er velen. Sywert vervolgen, maar de secretaris-generaal buiten schot laten. Ik kan nog talloze voorbeelden noemen. Volgens mij is het meer persoonlijke scoringsdrang, dan zorgvuldig afgewogen prioritering.

Het signaal van daadkracht

In de zaak-Van Eerd toont het OM zich zichtbaar voortvarend. Een publiek figuur, een fors bedrag contant geld, verdenkingen die raken aan integriteit en transparantie—het zijn ingrediënten die vragen om uitleg. Het OM kan betogen dat juist hier een voorbeeldfunctie geldt: wie macht, geld en invloed heeft, moet extra scherp worden getoetst. Dat argument is begrijpelijk. Rechtsgelijkheid vereist dat ook (of juist) prominente personen niet boven de wet staan.

Het signaal van stilte

Tegelijkertijd klinkt er een oorverdovende stilte rond structurele misstanden in de jeugdzorg, het CBR, de Belastingdienst, het UWV en ga zo maar door. Rapporten stapelen zich op, schrijnende casuïstiek wordt breed uitgemeten, en toch blijft strafrechtelijke verantwoordelijkheid zelden in beeld. Het gaat bij de Jeugdzorg niet om één ‘verdacht’ moment, maar om langdurig falen met soms levenslange gevolgen voor kinderen en gezinnen. Wanneer vervolging uitblijft—of zelfs het onderzoek daarnaar—ontstaat de indruk dat institutionele complexiteit een schild vormt tegen strafrechtelijke toetsing. Het negeren van signalen bij instanties als het UWV, de Belastingdienst en het CBR idem dito.

De botsing van prioriteiten

Het probleem zit niet in de vraag óf Van Eerd vervolgd mocht worden—dat kan verdedigbaar zijn binnen de wet—maar in de optelsom van keuzes. Strafrecht is schaars. Capaciteit, aandacht en symboliek zijn eindig. Als zichtbare energie uitgaat naar financieel-economische zaken met een duidelijke ‘kop’, terwijl systeemfalen met diepe maatschappelijke schade buiten beeld blijft, dan ontstaat een hiërarchie van morele urgentie die burgers niet altijd herkennen of accepteren.

Vertrouwen vraagt om consistentie

Vertrouwen in de rechtsstaat groeit niet alleen door daadkracht, maar door consistentie en proportionaliteit. Burgers accepteren dat niet alles tegelijk kan, maar verwachten wel dat de zwaarste schade—zeker waar kwetsbaren worden geraakt—minstens even serieus wordt genomen als financieel ‘verdacht’ gedrag. Zolang het OM die balans niet overtuigend uitlegt en zichtbaar maakt, zal de vraag blijven knagen of prioritering hier bijdraagt aan vertrouwen, of juist aan cynisme.

Conclusie: de vervolging van Van Eerd kan juridisch verdedigbaar zijn, maar wordt maatschappelijk problematisch zolang het OM geen even zichtbare scherpte toont richting structureel falen bij de jeugdzorg, het CBR, het UWV en anderen overheden. Rechtsstatelijk vertrouwen ontstaat waar handhaving niet alleen wettig is, maar ook als rechtvaardig wordt ervaren.