In een rechtsstaat geldt een fundamenteel beginsel: iedereen is onschuldig tot het tegendeel door een onafhankelijke rechter is vastgesteld. Toch lijkt dat uitgangspunt in de zaak rond Frits van Eerd, voormalig topman van Jumbo, al vroegtijdig te zijn ingeruild voor een ander narratief: dat van de verdachte als dader. Nog vóór de rechtszaak goed en wel was begonnen, werd Van Eerd in media en publieke beeldvorming neergezet als symbool van fraude en corruptie. Niet door een rechter, maar door een samenspel van lekken, suggestieve berichtgeving en een communicatiestrategie van het Openbaar Ministerie die eerder lijkt te mikken op beeldvorming dan op rechtsstatelijke zorgvuldigheid.
Vanaf het moment van de inval en arrestatie werd de toon gezet. Beelden van een prominente ondernemer, met naam en toenaam genoemd, omgeven door termen als “witwassen”, “omkoping” en “criminele geldstromen”, domineerden het nieuws. De nuance dat het ging om verdenkingen, niet om bewezen feiten, verdween al snel naar de kleine lettertjes. Koppen spraken boekdelen, terwijl het juridisch dossier nog grotendeels onbekend was.
Het Openbaar Ministerie speelde hierin een actieve rol. Door uitgebreid te communiceren over verdenkingen, bedragen en veronderstelde constructies werd een frame neergezet dat nauwelijks ruimte liet voor twijfel of tegenspraak. Informatie die voor de rechter thuishoort, werd via persberichten en achtergrondgesprekken al onderdeel van het publieke debat. Dat is problematisch. Niet alleen omdat het de reputatie van een verdachte onherstelbaar kan beschadigen, maar ook omdat het de indruk wekt dat het OM zijn zaak al gewonnen waant voordat de rechter eraan te pas komt.
De media namen dit frame gretig over. Kritische afstand tot de bron – in dit geval het OM – ontbrak vaak. Er werd weinig aandacht besteed aan de verdediging, aan alternatieve lezingen van de feiten of aan de vraag of de verdenkingen juridisch wel zo stevig waren als ze werden gepresenteerd. In plaats van controleur van de macht fungeerden delen van de pers als doorgeefluik van het vervolgingsverhaal.
De schade daarvan is groot. Voor Van Eerd persoonlijk betekende het een publieke val die losstaat van een rechterlijk oordeel. Voor Jumbo had het ingrijpende gevolgen, terwijl voor het vertrouwen in de rechtsstaat een gevaarlijk precedent werd geschapen: dat reputaties kunnen worden vernietigd op basis van verdenkingen alleen. Wie wordt vrijgesproken of van wie de zaak instort, krijgt zelden dezelfde media-aandacht als bij de aankondiging van de beschuldigingen.
Deze zaak roept een bredere vraag op: wanneer is het informeren van het publiek legitiem en wanneer slaat het om in publieke bestraffing zonder proces? Het OM heeft een machtige positie en moet zich bewust zijn van de impact van zijn woorden. Terughoudendheid is geen zwakte, maar een kernwaarde van een rechtsstaat. Ook de media dragen verantwoordelijkheid. Sensatie mag nooit belangrijker zijn dan zorgvuldigheid.
Als de rechter uiteindelijk oordeelt over Frits van Eerd, hoort dat oordeel leidend te zijn – niet de krantenkoppen van maanden of jaren daarvoor. Tot die tijd zou het goed zijn als media en justitie zichzelf de vraag stellen of zij het beginsel van onschuldpresumptie nog wel werkelijk respecteren, of dat het in de praktijk is verworden tot een lege frase.
