Selectieve verontwaardiging en vervolging?

Waarom worden de makers van de Stint vervolgd en wordt er al 25 jaar door instanties weggekeken bij het loskoppelen van gaspedalen door CBR examinatoren?


In Nederland spreken we graag over rechtsgelijkheid. Iedereen gelijk voor de wet, niemand boven de regels. Maar wie iets beter kijkt, ziet een ongemakkelijke waarheid: niet iedereen wordt even hard aangepakt. De manier waarop de makers van de Stint strafrechtelijk worden vervolgd, terwijl de overheid al vijfentwintig jaar structurele en levensgevaarlijke praktijken bij het CBR negeert, is daar een pijnlijk voorbeeld van.

De Stint-zaak is bekend. Na het tragische ongeval in Oss werd met grote stelligheid gezocht naar schuldigen. De makers van het voertuig worden nu strafrechtelijk vervolgd. Nog voordat de rechter zich had uitgesproken, waren zij in de publieke opinie al veroordeeld. Het signaal was helder: wie een technisch product ontwikkelt dat mogelijk risico’s kent, kan rekenen op strafrechtelijke aansprakelijkheid.

Maar waar is diezelfde daadkracht als het gaat om het CBR?

Al decennialang is bekend dat CBR-examinatoren tijdens iedere examenrit het gaspedaal van de dubbele bediening ontkoppelen. Dat betekent dat de examinator in noodsituaties géén gas kan geven. Alleen remmen. Dit is geen incident, geen vergissing, maar een structurele werkwijze die al vijfentwintig jaar wordt toegepast en door de overheid wordt gedoogd.

De risico’s zijn evident. Er zijn levensbedreigende situaties voorgevallen waarbij examenauto’s stilvielen op spoorwegovergangen of gevaarlijke kruispunten, terwijl de examinator machteloos toekeek omdat hij geen gas kon geven. In zulke situaties kan een seconde het verschil betekenen tussen leven en dood. Toch bleef ingrijpen uit. Geen strafrechtelijk onderzoek. Geen vervolging. Geen publieke verontwaardiging.

De vraag dringt zich op: waarom wel strafrechtelijke vervolging van ondernemers die een voertuig ontwikkelen, maar geen enkele consequentie voor een overheidsinstelling die bewust een gevaarlijke praktijk handhaaft?

Het antwoord lijkt ongemakkelijk, maar onontkoombaar: omdat het hier om de overheid zelf gaat. Omdat fouten van private partijen snel worden gecriminaliseerd, terwijl structurele risico’s binnen overheidsorganisaties worden afgedaan met stilzwijgen, interne rapporten en bestuurlijke excuses — als die er al komen.

Dit is geen pleidooi om de Stint-zaak te bagatelliseren. Slachtoffers verdienen waarheid en gerechtigheid. Maar gerechtigheid verliest haar geloofwaardigheid wanneer zij selectief wordt toegepast. Als nalatigheid, risicovol ontwerp of gevaarlijke werkwijzen strafrechtelijke vervolging rechtvaardigen, dan moet die maatstaf óók gelden voor het CBR en de verantwoordelijke beleidsmakers.

Zolang de overheid zichzelf buiten schot houdt, ondermijnt zij het vertrouwen in de rechtsstaat. Burgers zien het verschil. Ondernemers zien het verschil. Slachtoffers voelen het verschil.

Een rechtsstaat die streng is voor burgers maar mild voor zichzelf, is geen rechtsstaat — maar een systeem van machtsongelijkheid. En dat is misschien wel het grootste onrecht van allemaal.