Voorbeeldfunctie korpschef Janny Knol staat op het spel!

Korpschef betrokken bij 'on hold' zetten van officiële klachtenprocedure tegen Twentse agenten

Juist van een korpschef mag worden verwacht dat zij het morele kompas van de politieorganisatie bewaakt. Integriteit, transparantie en rechtsstatelijkheid zijn geen abstracte begrippen, maar dagelijkse uitgangspunten die richting geven aan het handelen van politiemedewerkers én hun leiding. In dat licht roept de rol van korpschef Janny Knol bij de afhandeling van klachten over politiemedewerkers die in 2022 beschuldigd werden van betrokkenheid bij de mishandeling van een publicist ernstige vragen op.

Wanneer klachten over mogelijk ernstig politiegeweld niet via de daarvoor ingerichte, onafhankelijke procedures worden afgehandeld, maar vroegtijdig en eenzijdig ‘on hold’ worden gezet door de politie zelf, raakt dat aan de kern van het vertrouwen in de rechtsstaat. Dat vertrouwen wordt verder ondermijnd wanneer de hoogste leidinggevende van het korps niet zichtbaar afstand neemt van zo’n gang van zaken, maar er volgens critici juist aan meewerkt. De indruk van een doofpotaffaire – of die nu juridisch bewezen wordt of niet – is op zichzelf al schadelijk.

Korpschef Knol vervult immers niet alleen een bestuurlijke rol, maar ook een voorbeeldfunctie. Hoe de top omgaat met klachten en kritiek, bepaalt in hoge mate hoe politiemedewerkers lager in de organisatie diezelfde normen ervaren en toepassen. Als de boodschap impliciet is dat reputatieschade van de organisatie zwaarder weegt dan zorgvuldige, onafhankelijke klachtenafhandeling, dan ontstaat een cultuur waarin wegkijken aantrekkelijker is dan verantwoording afleggen.

Burgers die menen slachtoffer te zijn van politiegeweld moeten erop kunnen vertrouwen dat hun klacht serieus, transparant en volgens vaste procedures wordt behandeld. Dat geldt des te meer wanneer het gaat om journalisten of publicisten, wier werk juist bijdraagt aan publieke controle van macht. Het stilleggen van een klachtenprocedure door het betrokken korps zelf wekt de schijn van belangenverstrengeling, hoe goed de interne motieven ook bedoeld mogen zijn.

De landelijke korpschef had hier een ander signaal kunnen afgeven: door aan te dringen op volledige onafhankelijkheid, openheid en het onverkort volgen van de klachtenprocedure. Daarmee zou niet alleen recht zijn gedaan aan de klager, maar ook aan de vele politiemedewerkers die hun werk wél zorgvuldig en professioneel doen en gebaat zijn bij een leiding die pal staat voor integriteit.

Uiteindelijk gaat deze kwestie niet alleen over één incident of één persoon, maar over de geloofwaardigheid van de politie als instituut. Juist daarom rust op de korpschef een zware verantwoordelijkheid. Wie aan de top staat, moet laten zien dat niemand boven de regels staat – ook de politie zelf niet. Dat is geen zwaktebod, maar de essentie van gezag in een democratische rechtsstaat.