Wanneer de staat procedeert, wie beschermt dan de burger?

In Nederland geldt de rechtsstaat als een van de fundamenten van onze democratie. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat zij zich kunnen verdedigen tegen de overheid wanneer die hun rechten aantast. Maar die belofte klinkt steeds holler in civiele procedures waarin overheidsinstanties het opnemen tegen individuele burgers. Met name in kort gedingen en andere spoedeisende procedures wordt pijnlijk duidelijk hoe scheef de machtsverhouding is. Daarom is het tijd voor een principieel uitgangspunt: wanneer een overheidsinstantie een civiele procedure start tegen een burger die aantoonbaar geen advocaat kan bekostigen, zou de overheid verplicht moeten zijn de kosten van rechtsbijstand te dragen.

Een structurele ongelijkheid

De overheid procedeert nooit alleen. Zij beschikt over juridische afdelingen, vaste advocatenkantoren en een praktisch onbeperkt budget aan publieke middelen. De burger daarentegen staat vaak alleen, zonder juridische kennis en zonder financiële armslag. In theorie kan die burger terugvallen op een rechtsbijstandsverzekering of een sociale advocaat. In de praktijk blijkt die route steeds vaker dood te lopen.

Rechtsbijstandsverzekeraars blijken terughoudend, soms zelfs ronduit onwillig, om te procederen tegen overheidsinstanties. De reden is zelden juridisch, maar vrijwel altijd economisch: procedures tegen de overheid zijn complex, langdurig en kostbaar, terwijl de kans op een snelle of financieel aantrekkelijke uitkomst gering is. Voor verzekeraars is het simpelweg geen aantrekkelijk dossier.

Het verdwijnen van de sociale advocatuur

Daar komt bij dat de sociale advocatuur in rap tempo verdwijnt. Al jaren waarschuwen beroepsorganisaties en toezichthouders voor de uitholling van het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand. De vergoedingen zijn laag, de werkdruk hoog en de procedures bureaucratisch. Steeds meer advocaten haken af.

Wat nog zorgwekkender is: ook onder de advocaten die wél actief zijn, groeit het gevoel dat procederen tegen de overheid weinig zinvol is. Niet vanwege de inhoudelijke kans van slagen, maar vanwege de asymmetrie in middelen en volharding. De overheid kan zich fouten, vertraging en herprocederen permitteren. De burger niet.

Toegang tot het recht is geen gunst

In die context wordt toegang tot de rechter een papieren recht. Formeel mag iedereen procederen; feitelijk kan niet iedereen zich verdedigen. Dat wringt met fundamentele rechtsstatelijke beginselen, zoals het recht op een eerlijk proces en ‘equality of arms’. Een burger die zonder advocaat tegenover een professioneel opgetuigde overheidsorganisatie staat, begint met een onoverbrugbare achterstand.

Juist wanneer de overheid zélf de gang naar de civiele rechter maakt, ligt er een bijzondere verantwoordelijkheid. De staat kiest er dan actief voor om haar macht juridisch af te dwingen tegenover een individu. In zo’n situatie is het niet meer dan redelijk – en moreel noodzakelijk – dat zij waarborgt dat de wederpartij zich adequaat kan verdedigen.

Een helder en uitvoerbaar principe

Het voorgestelde principe is eenvoudig en afgebakend:

  • De regeling geldt alleen wanneer de overheid eiser is.
  • Alleen wanneer de burger aannemelijk maakt geen advocaat te kunnen betalen.
  • De vergoeding betreft uitsluitend noodzakelijke rechtsbijstand, niet onbeperkte procesvoering.

Dit is geen vrijbrief voor kansloze procedures, maar een correctie op een structureel machtsverschil. Bovendien zal het de overheid prikkelen om zorgvuldiger af te wegen of procederen tegen een burger wel proportioneel en noodzakelijk is.

De prijs van niets doen

Wie dit probleem negeert, accepteert stilzwijgend dat recht steeds meer een luxeproduct wordt. Dat burgers hun gelijk wel kunnen hebben, maar niet kunnen halen. Dat voedt wantrouwen, frustratie en uiteindelijk rechtsstatelijke erosie.

Een overheid die haar eigen rechtsmacht inzet tegen burgers, moet ook de voorwaarden scheppen voor een eerlijk gevecht. Niet uit liefdadigheid, maar uit plicht. Want een rechtsstaat waarin alleen de machtige partij zich een advocaat kan veroorloven, is geen rechtsstaat – het is een façade.