De beslissing van het Openbaar Ministerie om niet in hoger beroep te gaan tegen de vrijspraak van Marco Borsato is juridisch verklaarbaar, maar maatschappelijk ongemakkelijk. Ze legt een pijnlijk patroon bloot in de manier waarop strafrecht, media en reputatieschade in Nederland steeds vaker door elkaar zijn gaan lopen.
Het OM stelt dat de kans op een succesvolle veroordeling in hoger beroep gering is. Vanuit strikt juridisch perspectief is dat een verstandige keuze. Het strafrecht is immers geen gokspel en geen middel om twijfel alsnog recht te zetten. Wie onvoldoende bewijs heeft, hoort te stoppen. Dat is een kernwaarde van de rechtsstaat.
Maar juist daar wringt het.
Want terwijl het strafrecht nu formeel tot stilstand komt, is de maatschappelijke schade al lang aangericht. Jarenlang hing boven Borsato een zware verdenking, breed uitgemeten in media, talkshows en op sociale platforms. Zijn naam werd synoniem met beschuldiging, nog voordat een rechter zich had uitgesproken. De vrijspraak kwam, maar de publieke rehabilitatie bleef uit.
Het ongemak zit niet in het afzien van hoger beroep, maar in de weg ernaartoe. De zaak werd aangebracht terwijl het bewijs kwetsbaar was. Dat bleek ook uit de uitspraak van de rechter. De vraag die het OM nu had moeten beantwoorden, luidt dan ook niet alleen: heeft hoger beroep kans van slagen? maar vooral: had deze zaak überhaupt voor de strafrechter moeten komen?
Die reflectie blijft uit. Door simpelweg niet in hoger beroep te gaan, onttrekt het OM zich aan een bredere verantwoordelijkheid voor de gevolgen van de vervolgingsbeslissing. Alsof het strafproces zelf losstaat van de maatschappelijke impact die het onvermijdelijk veroorzaakt.
Dit raakt aan een fundamenteler probleem: de groeiende kloof tussen juridische vrijspraak en maatschappelijke veroordeling. In theorie geldt iemand als onschuldig totdat schuld is bewezen. In de praktijk is iemand vaak al veroordeeld zodra het OM besluit tot vervolging. Media-aandacht, lekken, suggestieve framing — ze maken van het strafrecht steeds vaker een reputatierechtbank.
Daarmee komt de balans tussen slachtofferbescherming en rechtsbescherming onder druk te staan. Slachtoffers verdienen het om serieus genomen te worden, zonder twijfel. Maar dat mag nooit betekenen dat verdachten vogelvrij raken in de publieke arena, zeker niet wanneer het bewijs wankel is.
De zaak-Borsato laat zien dat het OM zorgvuldiger moet omgaan met zijn poortwachtersfunctie. Niet iedere aangifte hoeft tot vervolging te leiden. Juist terughoudendheid kan soms de meest rechtvaardige keuze zijn.
De vrijspraak is juridisch helder. Maar zolang het OM geen openlijke zelfreflectie toont over de weg die tot die vrijspraak leidde, blijft er iets schuren. Dan blijft het gevoel bestaan dat iemand wel door de molen is gehaald, maar zonder echte afsluiting.
Een rechtsstaat die alleen formeel corrigeert, maar moreel zwijgt, laat te veel mensen achter met het gevoel dat recht niet altijd rechtvaardig is.
En dat gevoel is misschien wel de grootste schade van deze zaak.
